vrijdag 23 december 2016 | 495x bekeken | 5x gedeeld | Leestijd: 4 minuten

Het tienerbrein: wijs door samenwerking en zelfinzicht

Hoe werkt het tienerbrein? Van het nieuwe boek van Jelle Jolles wist ik meteen zeker dat ik het wilde hebben en bespreken, want Jolles is een gerespecteerd hersenwetenschapper die ik eerder heel bevlogen heb horen spreken. In mijn werk als mediathecaris word ik iedere dag geconfronteerd met die wispelturige, vaak onrustige, geinige tieners, die zo goed zijn voor m’n humeur. En… na het lezen van het boek begrijp ik een stuk beter wat er in ze omgaat en wat dit zegt over hun mediagebruik.

9200000060318064Het tienerbrein

Het is goed om even stil te staan bij de titel van het boek. Jolles heeft een voorkeur voor de term  ‘tiener’ want ‘puber’ slaat op een veel kortere periode, terwijl die term bovendien soms in negatieve zin gebruikt wordt. Voor het woord ‘brein’ kiest hij omdat het voor veel meer staat dan alleen maar onze fysieke hersenen. Voor Jolles staat brein gelijk aan het Engelse ‘mind’. Jolles onderscheidt drie periodes: de vroege adolescentie van ongeveer 10 tot 14 jaar, de midden-adolescentie van circa 14 tot 16 jaar en de late adolescentie die tot na het twintigste levensjaar doorloopt. ‘Adolescentie’ gaat over de psychologische, cognitieve en sociale ontwikkelingen die een jongere doorloopt.

Werk in uitvoering

De aard van de begeleiding, de opvoeding en de aandacht die jongeren krijgen, bepaalt in hoge mate hoe zij zich ontwikkelen. Meisjes en jongens krijgen over het algemeen andere ontwikkelingsmogelijkheden en beperkingen aangeboden tijdens hun jeugd. Die mogelijkheden en beperkingen zijn in hoge mate cultureel bepaald.

Jongeren zijn constant in ontwikkeling en om die ontwikkeling in goede banen te leiden, kijken ze vooral naar elkaar, terwijl ze gedurende de hele adolescentie ook wel degelijk openstaan voor hun ouders en opvoeders – al lijkt dat vaak niet zo. Jonge tieners staan over het algemeen weinig stil bij de gevoelens van leeftijdgenoten, vandaar dat (online) pestgedrag een terugkerend probleem kan zijn. Geïnteresseerd in gedrag en opinies van leeftijdgenoten zijn tieners heel erg, want tieners – sociale dieren –  willen oefenen in samenwerking, effectieve communicatie, het vermogen zich te handhaven binnen groepen en conflicten op te lossen. Oefenen dus voor zelfstandig leven in een complexe, constant veranderende samenleving.  De adolescentie loopt niet voor niets door tot na het 20ste levensjaar, want er is veel te kiezen en enorm veel afleiding waardoor de school vaak pas  op de tweede of derde plaats komt.

Gefascineerd door elkaar

‘Executieve functies’ is een verzamelnaam die Jolles gebruikt  voor een aantal processen die ervoor zorgen dat personen kunnen functioneren in de groepen waar zij deel van uitmaken en – later – in de samenleving. Voor dat functioneren is het nodig een inschatting te kunnen maken van de emoties  en intenties van anderen. En dat is de reden waarom jongeren zo gefascineerd  zijn door elkaar.

Zelfinzicht bij adolescenten wordt gekenmerkt door zelfoverschatting en zelfonderschatting. De tiener kan weliswaar goed praten en redeneren, maar beoordeelt zichzelf niet altijd juist. Risico-inschatting, zelfbeheersing en het vermogen te plannen zijn allemaal functies waaraan nog gewerkt moet worden. Veel achttienjarigen hebben al veel vaardigheden verworven, maar die liggen meestal niet zo in de lijn van wat de maatschappij uiteindelijk van ze zal vragen.

Wat kunnen ouders en opvoeders doen?

In ieder geval niet bij de pakken neerzitten. Het blijkt bijvoorbeeld dat kinderen die door hun ouders tot ongeveer hun achtste jaar veel worden voorgelezen, een grotere kans maken op betere schoolprestaties. Ouders en andere opvoeders hebben, vooral als zij wisselende aanpakken weten in te zetten, de mogelijkheid om complexe vaardigheden te stimuleren. Begeleiding die bestaat uit ondersteuning, gerichte sturing en vooral het geven van feedback en het doornemen van opties, blijft nodig gedurende de hele adolescentie. De hele omgeving van de jongere, het gezin en peer groups bepalen hoe het leren op school beleefd wordt. Tieners gaan zich langzamerhand realiseren dat het leren ook in hun eigen belang is en niet alleen een vervelende plicht die door ouders en school wordt opgelegd. Dat is een kwestie van zelfinzicht.

Ondertussen

  • Een niet gemotiveerde leerling neemt weinig of geen leerstof op: de schoolse informatie wordt niet ‘geliked’ want die gaat niet over wat de leerling wél boeit: sociale informatie van en over de peer group.
  • Tieners hebben veel slaap nodig; de slaapverwekker melatonine wordt pas laat in de avond aangemaakt en in de slaap moet alle opgedane cognitieve en sociale informatie verwerkt worden. Logisch dat tieners nog vaak in diepe slaap zijn als de wekker afgaat en doodmoe in de schoolbanken kunnen zitten.
  • Druk zijn, impulsief zijn, zich niet goed kunnen concentreren, hoort ook bij de ontwikkeling. Te vaak en te snel krijgen kinderen daarvoor medicatie; die kan het kind dan wel rustig maken, maar ook ongewenste bijwerkingen hebben.
  • De ‘selfie’ staat voor veel meer dan alleen maar een fascinatie voor de buitenkant: uiterlijk, kleding en gadgets. De jongere is gericht op de peer group, in iets groters dan hij of zij zelf.

Kunnen en willen samenwerken

Uit een interview met Jolles in de online Volkskrant op 23 november: De tiener heeft plezier in denken en redeneren, moedig dus redeneren en debatteren aan, maar zorg voor gespreksregels. Leraren of coaches zouden meer gebruik kunnen maken van het feit dat de leerlingen in de klas net even verschillend denken en daardoor van elkaar kunnen leren. Plannen kunnen ze nog steeds niet goed, maar zo verwerven ze wel zelfinzicht, een belangrijke vaardigheid.

Zelf zie ik dagelijks om me heen dat leerlingen goed kunnen (samen)werken in de mediatheek waar ik werk, waar maar één regel geldt: stoor elkaar niet. En het kunnen en willen samenwerken blijkt ook uit het succes van een zoekles die ik al jaren geef. Wijsheid en dus ook mediawijsheid is iets dat jongeren heel goed willen en kunnen opsteken van elkaar. Uit dat gegeven moet een docent of mediacoach zijn of haar conclusies kunnen trekken.

Reacties 4

Laat een reactie achter

Reacties die geplaatst worden zonder in te loggen, worden eerst goedgekeurd door de redactie.