×

We willen graag weten wat je van dit artikel vindt.

1
2
3
4
5
6
7
8
9
10

Je bijdrage wordt volledig anoniem verwerkt. Bedankt!

Ik wil nu niet meedoen.
donderdag 23 november 2017 | 283x bekeken | Leestijd: 6 minuten

De voordeur verdwijntOver het omgaan met informatie door kinderen en jongeren

Vroeger begon de buitenwereld bij de voordeur of nog iets verder, buiten het dorp of buiten de buurt. Radio- en televisie hadden uitzendingen op vaste tijden. De krant viel ‘s morgens vroeg of in de namiddag op de mat. Anno nu stroomt de buitenwereld onophoudelijk binnen zonder kloppen of voeten vegen. Met permanente interactie. Kunnen wij ons nog voorstellen hoe kinderen en jongeren tegen informatie aankijken? Vanuit mijn werk voor Wizenoze en Slim Zoeken houd ik me hier mee bezig.

Vroeger? Dat was tot ongeveer 2005. Vanaf dat moment ging vrijwel iedereen massaal op internet, de jongeren voorop. We gebruiken internet voor informatie, vriendschap en boodschappen. Voor alles van nu, voor dingen uit vroeger tijden, of voor iets dat je net even had gemist. Tijd en ruimte zijn versmolten.

Tien jaar geleden verdween de voordeur geruisloos uit huis. Want internet is de buiten- en binnenwereld door elkaar, vooral voor iedereen die in deze eeuw geboren werd. Hoe dunner de apparaten, des te doorzichtiger de deur. Alles op je telefoon – handheld – is zo nabij, dat de band ermee soms groter wordt dan de band met je directe omgeving.

YouTuber Ties (zo’n 600.000 volgers)

Vraag van Ties’ volgers – via Instagram: Als je moest kiezen, nooit meer je vriendin kunnen zien of je kanaal verwijderen?

Ties: ‘Het zijn, zeg maar, twee kindjes die ik heb, dat is Luca en dat is YouTube. Het is net alsof je vraagt, vermoord je je ene kind of je andere. Maar als ik echt moest kiezen…?’
Luca: ‘Dan kiest hij voor YouTube, dat weet ik 100% zeker.’
Ties: ‘Ik houd super veel van Luca, maar ja… YouTube…, daar houd ik eigenlijk – stiekem – nog wel iets meer van.‘
Er wordt gelachen. Luca vat het sportief op. Maar ze geeft Ties wel een stevige elleboogstoot in z’n ribben die hard aankomt.

Herkomst van informatie

In deze context van onbekenden die vrienden worden – en zelfs de plaats kunnen innemen van verkering, is het steeds moeilijker geworden aandacht te geven aan de herkomst van informatie. Wat zijn de doelen en de belangen van makers? Maar de achtergrond van informatie interesseert kinderen en jongeren weinig.

Het gaat er voor hen om hoe het bij ze terechtkomt, via vrienden, bekenden of celebrities. Wat wel telt is authenticiteit. Maar ‘betrouwbaar’ of ‘op feiten gebaseerd’, dat is bijzaak, iets waar je niet op let. ‘Val me niet lastig!’ Ook het eerste resultaat bovenaan een lijst is altijd goed: Google knows best, hoe ongericht je ook hebt gezocht. Evenals ‘dit vind je ook leuk’ en infinite scroll – ga door, ga door!

Geen enkel onderscheid

Het verschil tussen meningen, feiten en reclame wordt bovendien meer en meer genegeerd door makers. Bewust of onbewust. Met het ouderwetse overzicht van uitzendtijdstippen, vaste kanalen en reclameblokken is ook het onderscheid in de bedoeling van informatie aan het verdwijnen. Makers zijn ook geen aparte beroepsgroep meer. Iedereen is maker geworden. Binnen dit nieuwe aanbod moet je voortdurend je eigen waarheid kiezen lijkt het wel. Ook het moreel besef wordt permanent op de proef gesteld (Shame/fame 2Doc.nl). Alle informatie vloeit naad- en draadloos in elkaar over. Alleen nog even de batterij opladen terwijl je slaapt, één van de weinige dingen die nog echt tijd kost. (Opladen is trouwens niet zo gevaarlijk als recent in veel kranten werd rondgebazuind… check: NRC 8-11-17).

Kinderen en jongeren (en veel volwassenen) zien feitelijk ook geen enkel onderscheid meer tussen: Internet-Browser-Zoekmachine-Scherm-Smartphone-App-Cloud. En daarmee tussen privé en publiek. Tussen hardware en software. De software (browser, zoekmachine, app) is een service, die zich vooral aan de publieke kant bevindt, updates worden automatisch geïnstalleerd. De verschijningsvorm blijft geen twee jaar hetzelfde en de werking verandert zelfs per seconde. Maar het kleine stukje hardware dat we nog in handen hebben en waarop alles zich op dertig centimeter van onze ogen manifesteert, voelt wel nog als persoonlijk eigendom. Totdat het straks gewichtloos is geworden en we zelf rechtstreeks via kleding of implantaten verbonden zijn met… ja met wat? Met wie?

Zo zijn Digital Natives inmiddels precies het omgekeerde van wat er mee bedoeld werd in 2001. Ze kunnen razendsnel klikken en vegen. Maar Digital Natives weten niet welke verbanden er in een persoonlijk apparaat gelegd worden. Ze weten niet hoe diffuus de digitale wereld is op het gebied van binnen en buiten, privé en publiek. Toch kennen ze vaak niet anders en brengen uren per dag door op hun smartphone.[1] Maar ze zijn er niet intuïtief wijs mee. De Digital Native is niet synoniem aan ‘digitaal geletterde.’ Wel aan digitaal veelgebruiker.

Betrouwbaarheid als ‘like’

De impact is vooral complex omdat de gebruiker vaak helemaal niet zelf kiest. Er wordt voor hem gekozen door ondoorgrondelijke algoritmes van de internetgrootmachten en een scala aan andere bedrijven. Zo is het vrij logisch dat informatie al snel als mening wordt gezien, want kinderen en jongeren zien vooral meningen. Informatie zit gevangen in de sociale media: als bericht, als commentaar of nog eenvoudiger als ‘like’. Informatie is iets geworden waar je willekeurig in kunt shoppen en jouw mening aan kunt toevoegen. Een mening die daarna door anderen weer als onderdeel van de informatie wordt gezien. Betrouwbaarheid wordt zo hetzelfde als veel likes. Nieuws wordt een ‘nieuwtje’ tussen vele andere nieuwtjes, omzoomd door commerciële boodschappen.

Nu zijn nepnieuws en desinformatie echt van alle tijden, vaak met een politieke bedoeling. Maar de indringende vermenging van buitenwereld en binnenwereld is zonder precedent. De centrale gedachte is: hoe houd ik mijn gebruikers zo lang mogelijk op mijn platform?

Gevangen in een app

Als ik kinderen en jongeren leer omgaan met informatie op internet in mijn workshops, is dit wat bovendrijft:

  • Leerlingen weten niet hoe je kunt achterhalen of een website betrouwbaar is. Ze zeggen bijvoorbeeld met een uitgestreken gezicht dat de bronnen van een website altijd onderaan de webpagina staan.
  • Leerlingen weten niet waar ze zijn op internet. Waar vond je iets? Bij Google, op YouTube, via WhatsApp. Ze zijn zo’n beetje gevangen in een app.
  • Leerlingen weten niet hoe je je kunt voorbereiden op informatief zoeken of hoe je een zoekopdracht zou kunnen aanpassen.

Jongeren van rond de veertien zijn het heftigst in hun aanvankelijke afwijzing. “Hoezo ‘slim zoeken’? Hier: ik typ Leeuw – en ik heb Leeuw. Kijk, klaar, dat zie je toch?”. Ik grijns en heb geduld. Mijn boodschap slaat uiteindelijk wel aan: zoeken naar de makers, leren beoordelen van betrouwbaarheid, nepnieuws, praten over privacy. Ze zijn vaak verrast dat er zoveel over informatie te zeggen valt. Al landt het verhaal over onderscheid maken makkelijker in een workshop voor een profielwerkstuk, dan bij een vrije keuzeles aan het begin van de middelbare school. Pas in een (hogere) beroepsopleiding valt het kwartje vanzelf.

Zoekmachine

Wizenoze bouwt een verticale zoekmachine voor 7-18 jaar. De zoekmachine zoekt in een groeiende whitelisted verzameling van betrouwbare bronnen en geeft resultaten terug op vijf leesniveaus.

Het bedrijf wil geen reclame tussen de resultaten mengen en verkoopt geen gegevens over het zoekgedrag van kinderen. Maar ook het ontwikkelen van zoek- en taaltechnologie kost geld. De Wizenoze zoekmachine zal daarom binnenkort alleen nog toegankelijk zijn met een abonnement. Scholen kunnen zich abonneren via APS, SLB of hun onderwijsproviders.

Tegelijk bouwt Wizenoze een schrijftool waarmee auteurs en redacteurs teksten leesbaar kunnen maken voor een grotere doelgroep. Want er is gewoon veel te weinig leesbare informatie op internet. Met de plugin Wizescan kun je het leesniveau van een tekst meten. Wij schatten in dat ongeveer 70% van informatief internet pas te lezen is vanaf havo 2/3 of eind mbo. Waarmee dus een heel groot deel van de leerlingen buiten de boot valt bij zoeken op internet met een algemene zoekmachine – want hoe vind je leesbare informatie?

[1] 19 april 2017 “OECD: Helft van vijftienjarige Nederlandse jongeren is buiten schooltijd twee tot zes uur per dag‚ of meer online. Bij alle Nederlandse jongeren is sprake van een toename van 38% sinds 2012.”

Reacties 2

  1. roeland smeets

    Prima idee, dat Wisenose,
    Alleen, Maarten, vind ik dat je net iets te vaak schrijft over wat jongeren allemaal niet weten.
    Ze weten veel wel; alleen is het heel verschillend wat ze weten
    In een brugklas zijn de verschillen enorm, ook omdat lagere scholen een verschillende (of geen ) invulling geven aan mediawijsheid. Geef jongeren de kans om te praten over wat ze wel weten, dan leren ze van elkaar.
    Erachter komen of een bron betrouwbaar is, dat is gewoon heel moeilijk daar moet je behoorlijk wat basiskennis voor hebben. Maar in een brugklas kun je jongeren wel degelijk voorbereiden op informatie zoeken. Heel simpel: door ze vragen te stellen, https://www.mediawijzer.net/wegwijs-in-informatie-klassikaal-zoeken-vinden/

  2. maaspr

    Hoi Roeland, nu ben ik net als jij dagelijks bezig met aansluiten op wat werkt. Jongeren zijn vaak best wereldwijs, en weten weer heel andere dingen dan we hier over praten. Ik wil met dit stuk vooral duidelijk maken dat er een totaal nieuwe beleving van informatie bij jongeren is, waarbij ondermeer het onderscheid privé-publiek op de tocht staat. Dit is zo anders dan voorheen, dat het belangrijk is om je daar van bewust te zijn. Inderdaad: de beste manier is veel met ze praten, ze samen laten ontdekken wat de bedoeling is van een item, of wat de uitwerking is van een video. Dat is bovendien ook vaak leuk. Dank voor je reactie & groet! Maarten

Laat een reactie achter

Reacties die geplaatst worden zonder in te loggen, worden eerst goedgekeurd door de redactie.